NL | FR
 
 
Print

5 MEI 1997. - Wet betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling


OFFICIEUZE GECOORDINEERDE VERSIE
 

 

5 MEI 1997. - Wet betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling

 



 
Inhoudstafel

HOOFDSTUK I. -  Algemene bepalingen.
Art. 1-2

HOOFDSTUK I/1. - De beleidsvisie op lange termijn inzake duurzame ontwikkeling
Art. 2/1

HOOFDSTUK II -  Federaal Plan inzake duurzame ontwikkeling
Art. 3-6, 6/1

HOOFDSTUK III. - Federaal rapport inzake duurzame ontwikkeling.
Art. 7-9

HOOFDSTUK IV. - Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling.
Art. 10-15

HOOFDSTUK V. -  Interdepartementale commissie duurzame ontwikkeling.
Art. 16-19

HOOFDSTUK V/1 - Duurzame onwikkelingseffectbeoordeling.
Art. 19/1, 19/2, 19/3

HOOFDSTUK VI.-  Aanpassing van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.
Art. 20-21

Wijzigingen

  1. Art. 4 (Wet van 20-07-2006, gepubl. op 28-07-2006)
  2. Art. 14 (Wet van 30-12-2001, gepubl. op 31-12-2001)
  3. Art. 16 (Wet van 27 -12-2006, gepubl. op 28-12-2006)
  4. Art. 2; 2/1; 3; 4; 5; 6; 6/1; 7; 8; 9; 11; 12; 13; 15; 16; 17; 18 (wet van 30-07-2010, gepubl. op 14-10-2010)
  5.  Art. 2; 19/1-19/3 (wet van 30-07-2010, gepubl. op 14-10-2010)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2.Voor de toepassing van deze wet, wordt begrepen onder :
  1° (W 2010-07-30/36, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 24-10-2010) duurzame ontwikkeling : de ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder daarmee voor toekomstige generaties de mogelijkheden in het gedrang te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Haar verwezenlijking vergt een veranderingsproces waarin het gebruik van hulpbronnen, de bestemming van investeringen, de gerichtheid van technologische ontwikkeling en institutionele structuren worden afgestemd op zowel toekomstige als huidige behoeften;
  2° (W 2010-07-30/36, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 24-10-2010) : wordt opgeheven.

  3° (W 2010-07-30/36, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 24-10-2010) minister : de Minister of de Staatssecretaris bevoegd voor Duurzame ontwikkeling;
  4° Raad : de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling;
  5° Commissie : de Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling;
  6° Federaal Planbureau : het Federaal Planbureau opgericht bij wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen;
  7° (W 2010-07-30/36, art. 6, 005; Inwerkingtreding : 24-10-2010) Dienst : de overheidsdienst die door de Koning werd belast met de voorbereiding en de coördinatie van de uitvoering van het beleid inzake duurzame ontwikkeling;
  8° (W 2010-07-30/36, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 24-10-2010)de cyclus van de federale plannen en rapporten inzake duurzame ontwikkeling : het periodieke plannings- en rapportagemechanisme alsmede het consultatief proces, zoals ingesteld door deze wet, die gericht zijn op een continue verbetering van de kwaliteit van het beleidsproces inzake duurzame ontwikkeling. Die cyclus vormt de federale strategie inzake duurzame ontwikkeling en strekt tot de volledige tenuitvoerlegging van de opeenvolgende VN-conferenties over duurzame ontwikkeling sinds de Conferentie van Rio in 1992;
  9° (W 2010-07-30/35, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2011) effectbeoordeling : duurzame ontwikkelingseffectbeoordeling, zijnde de methode voor het bestuderen van mogelijke sociale, economische en leefmilieueffecten, alsmede de effecten op de inkomsten en de uitgaven van de Staat, van een voorgesteld beleid op korte, middellange en lange termijn in en buiten België vooraleer de uiteindelijke beslissing wordt genomen.
 

HOOFDSTUK I/1. (Ingevoegd bij W 2010-07-30/36, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 24-10-2010)
De beleidsvisie op lange termijn inzake duurzame ontwikkeling]1

 

  Art. 2/1. (Ingevoegd bij W 2010-07-30/36, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 24-10-2010) De Koning stelt na een parlementair debat en met het georganiseerde middenveld de federale beleidsvisie op lange termijn inzake duurzame ontwikkeling, hierna ' de langetermijnvisie ' genoemd, vast bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
   De langetermijnvisie omvat de langetermijndoelstellingen die de federale regering nastreeft in het door haar gevoerde beleid. Ze staat boven de door deze wet ingestelde cyclus van federale plannen en rapporten inzake duurzame ontwikkeling. Ze dient als leidraad voor de werkzaamheden van de Commissie, de Dienst en het Federaal planbureau. Ze stelt ook een geheel van indicatoren vast om rekenschap te geven over het behalen van deze doelstellingen.
   Deze langetermijnvisie beoogt een antwoord te bieden op de verbintenissen die door België op internationaal en Europees niveau werden aangegaan.
   Bij de voorbereiding van het voorontwerp van het plan kan de Commissie tegelijk aan de minister een ontwerp bezorgen dat de langetermijnvisie bijstuurt op grond van de evolutie van de internationale door Belgïe aangegane verbintenissen, alsook op basis van het Rapport.
   De in het eerste lid bedoelde verplichting vervalt indien de Wetgevende Kamers instemmen met een samenwerkingsakkoord, bedoeld in artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, dat een federale langetermijnvisie inzake duurzame ontwikkeling omvat.

 

HOOFDSTUK II. - Federaal plan inzake Duurzame Ontwikkeling.

Art. 3. (W 2010-07-30/36, art. 9, 005; Inwerkingtreding : 24-10-2010) Een federaal plan inzake duurzame ontwikkeling hierna ' het plan ' genoemd, wordt om de vijf jaar opgemaakt op basis van het federaal rapport zoals bedoeld in artikel 7.

Het plan legt de te nemen maatregelen vast op federaal niveau met het oog op de realisatie van enerzijds de internationale en Europese verbintenissen en anderzijds de doelstellingen vastgelegd in de langetermijnvisie.

Het plan omvat onder meer :

1 de indicatieve beleidsdoelstellingen bij het verstrijken van het plan;

2° tussentijdse doelstellingen die bereikt moeten worden vóór het verstrijken van het plan om te kunnen beantwoorden aan internationale verbintenissen;

3° richtlijnen aan de federale overheidsdiensten;

4° acties voor interdepartementale samenwerking;

5° het opvolgingsmechanisme opgezet voor de monitoring van het plan.

Art. 4.(W 2010-07-30/36, art. 10, 005; Inwerkingtreding : 24-10-2010) § 1. Het voorontwerp van plan wordt voorbereid door de Commissie. De Commissie doet het toekomen aan de minister die het voorlegt aan de Ministerraad voor beraadslaging.

Namens de Ministerraad legt de minister vervolgens het voorontwerpplan gelijktijdig voor aan de Wetgevende Kamers, aan de Raden en aan de Regeringen van de de Gemeenschappen en de Gewesten.

§ 2. Op advies van de Commissie bepaalt de Koning de nadere regels volgens dewelke de bevolking deelneemt aan de voorbereiding van het voorontwerp.

§ 3. Binnen de zestig dagen volgend op de mededeling van het voorontwerpplan, deelt de Raad zijn gemotiveerd advies over het voorontwerp mee.

§ 4. Binnen zestig dagen na het verstrijken van de in paragraaf 3 bedoelde termijn onderzoekt de Commissie de uitgebrachte adviezen en stelt zij het ontwerpplan op. Ze doet dit aan de minister toekomen die het ontwerpplan en de adviezen voorlegt aan de Ministerraad.

Art. 5.(W 2010-07-30/36, art. 11, 005; Inwerkingtreding: 24-10-2010) De Koning stelt het plan vast bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Hij geeft de redenen voor het afwijken van de unanieme adviezen van de Raad. Het plan wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

De Koning legt de nadere regels voor verspreiding en bekendmaking van het plan vast.

Art. 6.(W 2010-07-30/36, art. 12, 005; Inwerkingtreding: 24-10-2010) Elk nieuw plan wordt vastgesteld ten laatste één maand voor het verstrijken van de lopende planperiode.

Art. 6/1. (Ingevoegd bij W 2010-07-30/36, art. 13, 005; Inwerkingtreding : 24-10-2010) Het plan kan door de regering tijdens de planperiode worden herzien.

Op vraag van de Ministerraad binnen de maand na zijn installatie als gevolg van de volledige hernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers bezorgt de Commissie wijzigingsvoorstellen binnen de zestig dagen.

De Koning stelt de wijzigingen van het plan vast bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Vooraleer die aan te nemen kan de minister binnen een termijn van zestig dagen het advies van de Raad vragen. In dat geval zal de regering motiveren waarin zij van het advies van de Raad afwijkt bij het vaststellen van het plan.

Onverminderd het eerste lid en ten laatste een maand na de installatie van een regering als gevolg van de volledige hernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers, kan de Ministerraad beslissen om het lopende plan volledig te herzien en een nieuw plan te bepalen. Wanneer deze bepaling wordt toegepast, is de procedure beschreven in artikelen 4 en 5 van toepassing.

 

HOOFDSTUK III. – Federaal rapport inzake duurzame ontwikkeling.

Art. 7.(W 2010-07-30/36, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 24-10-2010) Het Federaal planbureau stelt een federaal rapport inzake duurzame ontwikkeling op, hierna ' het rapport ' genoemd.

Dit rapport wordt in twee delen gepubliceerd in de loop van de cyclus :

1° deel ' stand van zaken en evaluatie ' : een stand van zaken en een evaluatie van de bestaande toestand en van het beleid dat werd gevolgd om de doelstellingen te bereiken die in de langetermijnvisie zijn vastgesteld;

2° deel ' Toekomstverkenning ' : een oefening in toekomstverkenning die de verwachte evolutie ten aanzien van de ontwikkelingen op Europees en internationaal vlak voorlegt en die alternatieve scenario's voor duurzame ontwikkeling bevat om de doelstellingen te bereiken die in de langetermijnvisie zijn gesteld.

Tenminste vijftien maanden vóór het einde van de looptijd van het plan wordt het deel ' stand van zaken en evaluatie ' gepubliceerd.

Op voorstel van de Minister die Duurzame Ontwikkeling in zijn bevoegdheden heeft, kan de Koning de elementen aanduiden die in het rapport moeten voorkomen bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

Art. 8.(W 2010-07-30/36, art. 15, 005; Inwerkingtreding : 24-10-2010) Het rapport wordt medegedeeld aan de minister en aan de Commissie die het stuurt naar de Ministerraad, naar de Wetgevende Kamers, naar de Raden en naar de regeringen van de Gewesten en de Gemeenschappen, en naar alle officiële internationale organisaties die een uitvloeisel zijn van of gekoppeld zijn aan de Conferentie van Rio. De Koning bepaalt de nadere regels voor verspreiding en bekendmaking van het rapport.

Art. 9. (Opgeheven bij W 2010-07-30/36, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 24-10-2010)

HOOFDSTUK IV - Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling

Art. 10. Er wordt een Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling opgericht.

Art. 11. (W 2010-07-30/36, art. 17, 005; Inwerkingtreding : 24-10-2010) § 1. de Raad heeft als opdracht :

- advies te verlenen over maatregelen betreffende het federale en Europese beleid inzake duurzame ontwikkeling, genomen of in het vooruitzicht gesteld door de federale overheid, in het bijzonder in uitvoering van de internationale verbintenissen van België;

- een forum te zijn waar gedebatteerd kan worden over duurzame ontwikkeling;

- wetenschappelijke studies voor te stellen in domeinen die verband houden met duurzame ontwikkeling;

- de actieve medewerking op te wekken van de openbare en particuliere organisaties alsook de burgers om deze doelstellingen te verwezenlijken.

§ 2. De Raad oefent de in paragraaf 1 bedoelde opdrachten uit op eigen initiatief of op het verzoek van de ministers of Staatssecretarissen, van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat.

§ 3. Hij kan beroep doen op federale overheidsdiensten en publieke instellingen om hem bij te staan in het vervullen van zijn opdrachten. Hij kan ieder persoon uitnodigen wiens medewerking nuttig wordt geacht voor het onderzoek van sommige vragen.

§ 4. De Raad brengt zijn advies uit binnen de drie maanden na het verzoek ertoe. In geval van hoogdringendheid kan de opdrachtgever een kortere termijn voorschrijven. Deze termijn kan evenwel niet korter zijn dan twee weken.

§ 5. De Raad stelt een jaarlijks rapport op over zijn werkzaamheden. Het rapport wordt gestuurd naar de Ministerraad, naar de Wetgevende Kamers en naar de parlementen en Regeringen van de Gemeenschappen en Gewesten.

§ 6. De minister geeft het gevolg aan dat door de Regering is gegeven aan het advies van de Raad alsook, in voorkomend geval, de redenen waarom zij van het advies van de Raad afwijkt.

Art. 12.(W 2010-07-30/36, art. 18, 005; Inwerkingtreding : 24-10-2010) § 1. De Raad is samengesteld uit :

- een erevoorzitter;

- een voorzitter;

- drie ondervoorzitters;

- vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld waarvan de Koning het aantal en de indeling in categorieën vaststelt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad; daarbij wordt toegezien op een evenwichtige vertegenwoordiging van de economische spelers alsook van de verenigingen voor milieubescherming en ontwikkelingssamenwerking, zoals is bepaald sinds de in 1992 gehouden Conferentie van de Verenigde Naties in Rio;

- één vertegenwoordiger van elke minister of staatssecretaris;

- elk Gewest en elke Gemeenschap worden uitgenodigd een vertegenwoordiger aan te wijzen.

§ 2. De leden bedoeld in paragraaf 1, eerste tot vierde streep, worden door de Koning benoemd bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor een hernieuwbare periode van vier jaar.

§ 3. De leden bedoeld in paragraaf 1, eerste tot vierde streep, duiden een plaatsvervanger aan. Indien een lid verhinderd is, neemt zijn plaatsvervanger deel aan de vergaderingen van de Raad.

§ 4. De leden bedoeld in paragraaf 1, eerste, vijfde en zesde streep, hebben een raadgevende stem.

§ 5. Het bureau wordt gevormd door de leden bedoeld in paragraaf 1, eerste tot derde streep.

Art. 13. De Raad stelt zijn huishoudelijk reglement op. Dit reglement moet onder andere voorzien in een regeling betreffende :

1° de organen waardoor de raad zijn opdrachten verzekert;

2° de wijze van bijeenroeping en beraadslaging;

3° de bekendmaking van de handelingen;

4° de periodiciteit van de vergaderingen.

(W 2010-07-30/36, art. 19, 005; Inwerkingtreding : 24-10-2010) De Koning stelt dit reglement vast bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

Art. 14. (W 2001-12-30/30, art. 85, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2002) De Raad beschikt over een permanent secretariaat, dat naast personeel met een administratieve opleiding eveneens personeel met een wetenschappelijke opleiding omvat. Het secretariaat staat onder het gezag van het bureau. Het personeel van het secretariaat wordt aangeworven door het bureau.

Bovendien kan de regering mits de Raad hiermee instemt, statutair of contractueel personeel van de Staat ter beschikking stellen van de Raad, ten einde het secretariaat van de Raad te versterken en de samenwerking tussen de Raad en de federale overheidsdiensten te bevorderen.

Art. 15. (W 2010-07-30/36, art. 20, 005; Inwerkingtreding : 24-10-2010) De Raad beschikt over een dotatie ten laste van de federale begroting, aangerekend op de kredieten van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu.

 

HOOFDSTUK V - Interdepartementale commissie duurzame ontwikkeling

Art.16. (W 2010-07-30/36, art. 21, 005; Inwerkingtreding : 24-10-2010) § 1. Onder de verantwoordelijkheid van de minister wordt er een Interdepartementale Commissie Duurzame Ontwikkeling opgericht, samengesteld uit een vertegenwoordiger van elke federale overheidsdienst of programmatorische federale overheidsdienst, en van het Ministerie van Landsverdediging. Elke Gemeenschapsregering en elke Gewestregering wordt door de minister uitgenodigd om eveneens een vertegenwoordiger in de Commissie aan te wijzen. Het Federaal planbureau wordt door een waarnemer vertegenwoordigd.

De leden van de Commissie en hun plaatsvervangers worden benoemd door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad voor een mandaat van vijf jaar.

§ 2. De leden zijn gehouden om achttien maanden voor het einde van de looptijd van het plan een rapport uit te brengen over het beleid inzake duurzame ontwikkeling en over de uitvoering van het plan in de federale administraties en publieke instellingen die zij vertegenwoordigen. Ze vermelden in dit rapport tevens de wijze waarop het plan zal worden uitgevoerd gedurende de resterende planperiode.

§ 3. De leidende ambtenaar van de Dienst is van rechtswege voorzitter van de Commissie.

§ 4. Het secretariaat wordt verzekerd door de Dienst. Op voorstel van de minister stelt de Koning twee secretarissen aan onder de personeelsleden van de Dienst voor een mandaat van vijf jaar. De secretarissen mogen niet behoren tot eenzelfde taalrol.

§ 5. Bij de aanvang van elk kalenderjaar stelt de Commissie haar Bureau samen, dat naast de voorzitter en de secretarissen, bestaat uit hoogstens twee ondervoorzitters elk behorende tot een verschillende taalrol.

Art. 17. (W 2010-07-30/36, art. 22, 005; Inwerkingtreding : 24-10-2010)

§ 1. Onverminderd haar andere opdrachten bedoeld in deze wet heeft de Commissie volgende opdrachten :

1° het geven van aanwijzingen aan de Dienst en thema's aan het Federaal planbureau bij hun opdrachten bedoeld in deze wet en het waken over hun goede verloop;

2° het coördineren van het rapport van de leden, beoogd in artikel 16;

3° het voorbereiden van het voorontwerp van plan beoogd in artikel 4, § 1 of het ontwerp van plan beoogd in artikel 6/1, tweede lid;

4° het formuleren van een voorstel met betrekking tot de raadplegingsmodaliteiten van de bevolking over het voorontwerp van plan beoogd in artikel 4, § 2.

§ 2. De Commissie wordt ondersteund door de Dienst in de uitvoering van haar opdrachten.

§ 3. De Commissie stelt haar huishoudelijk reglement vast.

§ 4. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de algemene regels vastleggen voor de samenwerking tussen de Commissie, de Dienst, het Federaal planbureau, de federale overheidsdiensten en de federale programmatorische overheidsdiensten en de overheidsinstellingen.

§ 5. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministeraad, elke andere opdracht betreffende duurzame ontwikkeling toevertrouwen aan de Commissie.

Art. 18. (Opgeheven bij W 2010-07-30/36, art. 23, 005; Inwerkingtreding : 24-10-2010)

Art. 19. De Commissie maakt, voor 31 maart, een jaarlijks rapport op over de werkzaamheden van het voorbije jaar.

Dit rapport wordt overgemaakt aan alle leden van de federale regering, aan de Wetgevende Kamers en aan de Raad.

 

HOOFDSTUK V/1. (Ingevoegd bij W 2010-07-30/35, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2011) - Duurzame onwikkelingseffectbeoordeling.

Art. 19/1. (Ingevoegd bij W 2010-07-30/35, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2011) § 1. Zijn onderworpen aan een voorafgaand onderzoek met betrekking tot de noodzakelijkheid van de uitvoering van een effectbeoordeling :

1° voorontwerpen van wet;

2° ontwerpen van koninklijk besluit;

3° voorstellen van beslissing onderworpen aan de goedkeuring van de Ministerraad.

Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalt de Koning in welke gevallen vrijstelling kan worden verleend van het bepaalde in het eerste lid.

§ 2. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad regelt de Koning het voorafgaand onderzoek bedoeld in paragraaf 1.

Art. 19/2. (Ingevoegd bij W 2010-07-30/35, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2011) Een effectbeoordeling vindt plaats indien het voorafgaand onderzoek bedoeld in artikel 19/1 het vereist.

Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad regelt de Koning de effectbeoordeling.

Art. 19/3. (Ingevoegd bij W 2010-07-30/35, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2011)

Indien niet voldaan is aan het bepaalde in de artikelen 19/1 en 19/2 kan :

1° een ontwerp van wet niet worden ingediend bij de Wetgevende Kamers;

2° een ontwerp van koninklijk besluit niet worden afgekondigd door de Koning;

3° een voorstel van beslissing niet worden goedgekeurd door de Ministerraad.

HOOFDSTUK VI – Aanpassing van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen

Art. 20. In artikel 127 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, wordt een § 4 toegevoegd, luidend als volgt :

§ 4. Het Federaal Planbureau wordt belast met het deelnemen aan de coördinatie en de uitvoering van de verschillende aspecten van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling zoals gedefinieerd door de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling. '

Art. 22. Het koninklijk besluit van 12 oktober 1993 tot oprichting van een Nationale Raad voor Duurzame Ontwikkeling wordt opgeheven.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

 

  Gegeven te Brussel, 5 mei 1997.

  ALBERT

  Van Koningswege :

  De Eerste Minister,

  J.-L. DEHAENE

  De Minister van Economie,

  E. DI RUPO

  De Minister van Wetenschapsbeleid,

  Y. YLIEFF

  De Minister van Volksgezondheid,

  M. COLLA

  De Minister van Sociale Zaken,

  Mevr. M. DE GALAN

  De Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking,

  R. MOREELS

De Staatssecretaris voor Leefmilieu,

  J. PEETERS

  Gezien en met 's Lands zegel gezegeld :

  De Minister van Justitie,

  S. DE CLERCQ



Terug